Annie van Rees

Doe je mee? Geef nu je reactie!

Pinksteren in Nieuwegein-Noord

ja ja, met mijn teksten en puber-dochter als vos (in┬á bijenonsie ­čÖé

14 mei 2017 Posted by | Uncategorized | Plaats een reactie

De hongerige wolf en de zeven wolfjes

Ach ja, media in de opvoeding…Dochterlief (14) doet mee aan een wedstrijd schrijven met verplichte woorden op internet. Zou ze hiermee winnen?

De hongerige wolf en de zeven wolfjes
Er waren eens twee wezens die over een begraafplaats liepen: een grote, gevaarlijke, wereldwijze wolvin met een grijze vacht en naast haar een klein, nieuwsgierig, zwartharig wolfje. Deze begraafplaats werd al eeuwenlang door de bewoners van het bos ernaast gebruikt. Dat het een oude begraafplaats was, kon je bijvoorbeeld zien door de overweldigende hoeveelheden mos die over de antiekste grafstenen en graven waren gegroeid. Deze begraafplaats was een neutraal gebied: de verschillende dieren van het bos, prooien en roofdieren, hadden op hun eer als soort beloofd elkaar hier niet aan te vallen. Allen hadden respect voor de dood.
De oude wolvin hield haar poot omhoog als teken voor het kleine wolfje om te stoppen. Ze bleven bij een grafsteen staan waar nog niet veel mos op was gegroeid vergeleken met degenen waarbij geen tranen meer werden gestort, omdat de doden daaronder in de vergetelheid waren geraakt.
‘Oma,’ vroeg de kleine wolf. ‘Waarom gniffel je? Je h├│├│rt niet te gniffelen bij een graf, dat weet iedereen! Zelfs hazen van wie familie door wolven is gedood, gniffelen niet bij het graf van de dader.’
‘Oh, maar dit is een speciaal geval. Ik heb hem persoonlijk nog gekend.’ De oma had een grijns op haar gezicht, zo eentje die je niet snel verwacht op het gezicht van een vriendelijke oma, maar dit was dan ook een speciale wolvenoma, die veel had meegemaakt toen haar haren nog zwart waren. ‘Ik kan je zijn verhaal vertellen,’ zei de wolvin, hiermee de nieuwsgierigheid van de kleine wolf prikkelend.
De nog niet volleerde vleeseter vond het altijd fijn als anderen verhaaltjes vertelden. Door de moralen van die verhalen leerde hij hoe hij een goede wolf moest zijn. ‘Ja, vertel, oma, vertel!’ riep hij enthousiast en hij dartelde om haar heen.
‘Zit, wolfje!’ beval zijn oma hem. Het wolfje ging zitten, tevreden kwispelend. ‘Goed, waar zal ik eens beginnen…,’ startte ze. ‘Ik was ongeveer zo oud als jij nu bent. Mijn haren waren glanzend zwart en mijn moeder vond me de mooiste van al haar kinderen. Dat liet ze ook duidelijk blijken. Zoiets zorgt natuurlijk voor onrust in een gezin. Mijn zes broers en zussen… tsja, we hadden nou niet bepaald een goede relatie. Ze hebben zelfs een keer mijn mobieltje verstopt en hebben me dagenlang niet verteld waar hij was gebleven. Ik ben ze er nog dankbaar voor.’ De wolvin glimlachte.
‘Waarom dan, oma, waarom?’ Van opwinding was het wolfje overeind gesprongen en dartelde het om zijn oma heen.
‘Wolfje,’ zuchtte ze, ‘ik had je toch gezegd dat je moest zitten. Ik kan ook ophouden met vertellen.’
Met grote, smekende, gele ogen keek hij haar aan terwijl hij braaf weer ging zitten. ‘Sorry, oma, ik zal het niet meer doen.’
‘Maar goed, op een dag…’
‘Ja?’ vroeg het kleintje.
Zijn oma zond hem een dodelijke blik toe vanwege de onderbreking. ‘Op een dag ging mijn moeder naar het konijnenhol om wat wollige snacks te halen. Ze zei dat we voor niemand open mochten doen, de Grote Boze Wolf zou wel eens langs kunnen komen.
“De Grote Boze Wolf, jaja,” zei mijn grootste broer. “Dat is een kindersprookje. Hij bestaat niet. En we kunnen heus wel op ons zelf passen.” Dit zei hij altijd als onze moeder waarschuwde en er was nog nooit iets gebeurt. De anderen geloofden hem. Het was jaren en jaren geleden dat men iets van de Grote Boze Wolf vernomen had.
Er werd aangeklopt… Wolfje, zit!’ snauwde de wolvin plotseling. Ze vervolgde pas toen het wolfje weer was gaan zitten. ‘Mijn oudste broer, de gemeenste ook, deed de deur open. Degene die had gebeld, torende boven mijn broer uit en dat deden niet veel wolven. Hij had een hongerige, smachtende blik in zijn ogen. En,’ vertelde de wolvin met een grote grijns op haar gezicht, ‘hij vrat mijn oudere broer op, want die stond het dichtste bij.’
Het wolfje maakte een sprongetje van schrik door deze onverwachte plotwending. ‘Maar, maar,’ sputterde hij. ‘Dan is hij een kannibaal! Kannibalen zijn verboden! Het mag niet! Oma, waarom grijnst u zo?’
De wijze jaagster sloeg tevreden met haar pluizige staart op de grond. ‘Omdat het een mooie herinnering is dat hij mijn broer opat. Maar goed, ik ga verder met mijn verhaal. De overgebleven vijf en ik verstopten ons. De eerste in bed, de tweede in de open haard, de derde in de keuken, de vierde onder de tafel, de vijfde in de kast en ik in de klok.’
Het wolfje fronste zijn wenkbrauwen. ‘Maar dat past toch helemaal niet? Uw hand past amper in een digitale klok, laat staan dat u achter het ronde plaatje van een analoge klok kunt kruipen!’
De oma zuchtte. ‘Vroeger hadden we thuis een grote, staande klok. Daar kan je je wel in verstoppen.’
Het wolfje knikte begrijpend.
‘Kun je lezen wat er op de grafsteen van deze wolf staat?’ vroeg ze haar kleinkind.
Hij tuurde en wist ondanks het mos de letters te herkennen. ‘ “Wie ergens gras over laat groeien, moet de decoupeerzaag voelen.” Huh?’ Hij fronste. ‘Wat is dat nou voor een raar grafschrift?!’
Weer had ze zo’n niet-oma-achtige grijns op haar gezicht. ‘Dat zal ik je vertellen. De slechte wolf zocht en zocht. Uiteindelijk vond hij iedereen, behalve mij.’
‘Was u dan goed in verstoppertje?’ vroeg het wolfje.
‘Ja, maar ik ga het niet met je spelen. Daarvoor ben ik nu te oud,’ antwoordde ze. ‘We dwalen af. Ik had voor mijn gevoel uren in de staande klok gezeten toen ik hoorde dat de wolf het zoeken naar mij opgaf. Intussen had ik alle hoeken en gaten van de klok ge├»nspecteerd. Boven in de klok, op een plankje, zag ik iets wat ik niet had verwacht. Mijn broers en zussen hadden mijn vermiste mobieltje daar neergelegd!’
‘Heeft u toen de politie gebeld?’ vroeg het wolfje.
‘Nee, ik belde de klusjesman.’
‘De klusjesman?’ vroeg hij verward. ‘Waarom zou u dat nou doen?’
‘Een klusjesman kan veel erger zijn dan een politieman. Iets ergers had de wolf wel verdiend. De wolf had zijn strooptocht niet volledig tot zijn einde gebracht.’
‘Maar… daar bent u de wolf toch dankbaar voor?’ zei het kleine wolfje. ‘Toch?’
‘Natuurlijk,’ zei de oma, ‘maar het is wel erg slordig dat hij er gras over liet groeien. Ik zei tegen de klusjesman dat hij zijn decoupeerzaag mee moest nemen. Eerst stribbelde hij nog een beetje tegen, maar toen ik tegen die klusjesman zei dat ik anders zijn kuikens zou opvreten, gaf hij toe.’
‘Een decoupeerzaag?’ vroeg het jong, de logica van het verhaal compleet kwijtgeraakt.
‘Ja,’ zei de wolvin, duidelijk trots op zichzelf. ‘We hebben die verachtelijke kannibaal in stukken gezaagd. Mijn broers en zussen zijn levend uit de wolf gekomen, al was hun vacht aangetast door het maagzuur. De grootste, gemeenste broer was er nog het ergst aan toe. Hij stierf de daaropvolgende winter van de kou. Al hielp het waarschijnlijk ook wel dat we per ongeluk een stuk van zijn poot hadden afgezaagd,’ voegde ze er nonchalant aan toe.
Het zwartharige wolfje kon niets anders doen dan haar met een open bek aanstaren.
‘En de moraal, lief wolfje, is dat kannibalen verachtelijk zijn en dat je altijd je taak moet afmaken. De kannibaal had mijn zes broertjes en zusjes al gevangen en had geen zin meer om mij nog te gaan zoeken. Zo kon ik bloederig wraak nemen.’ De oma-wolvin gebaarde naar de grafsteen. ‘Want wie ergens gras over laat groeien, moet de decoupeerzaag voelen!’

8 mei 2017 Posted by | Uncategorized | Plaats een reactie